Saturday, 8 November 2008

Dat was even schrikken (deel 7)

Waar waren we ook al weer gebleven, oja de vlek op mijn linkerlong.





Kijk dokter, het zit zo: In april 1961was ik nog maar nauwelijks afgezwaaid als dienstplichtig militair bij de Koninklijke Luchtmacht toen ik geveld werd door een voor die tijd nog ernstige ziekte, “Pleuritis” genaamd, een vorm van TBC. Er waren 2 varianten, nl de “natte”en de “droge” pleuritis. In mijn geval was het de natte, wat inhield dat men via een drein 1,5 liter vocht achter mijn longen moesten verwijderen. Gelukkig was het niet besmettelijk, zodat ik thuis verpleegd zou kunnen worden. Ideaal waren de omstandigheden in dat lage huisje onder aan de dijk niet, maar al snel kwam er via het Groene Kruis een bed in de “mooie” kamer te staan, die normaal alleen gebruikt werd op zon en feestdagen en waarin zich ook de “bedsteden” bevonden waar onze ouders nog steeds sliepen en waarin de meeste gezinsleden zijn verwekt en ook ter wereld zijn gekomen. “Volkomen rust houden,” had de dokter gezegd en daar heb ik me ook aan gehouden, liefdevol verpleegd door mijn moeder en gesteund door het hele gezin. Dagelijks kwam een verpleegster uit een naburig dorp met de fiets naar ons huisje toe om mij te wassen. Verder zag je weinig mensen.
Hoewel ik volkomen rust moest houden, verveelde ik me nooit. Plakboeken betreffende alles wat er zich in dat jaar afspeelde, o.a. over de Tour de France, ik heb ze nog allemaal.
Veel verkeer was er niet op de dijk. Behalve de wijkzuster kwam ook de postbode altijd op de fiets en die bracht soms post voor me mee, meestal een beterschapkaart, maar het allermeest reed hij voorbij, in weer en wind. Vol begrip wuifde hij dan naar me, alsof hij zeggen wilde:”sorry jongen, weer geen post.” Wie er ook vriendelijk naar me zwaaide waren de (tiener)meisjes op weg naar de huishoudschool. (In die tijd “bakvissen” genoemd.) Het meisje met de kortste rokjes vond ik het leukst, maar niet alleen om die korte rokjes. Soms kwam ze langs en dat stelde ik zeer op prijs. Ook al zien we elkaar niet zo vaak meer zijn we nog steeds bevriend. Dan was er nog de groenteboer, die elke woensdag langs kwam. Niet dat hij veel aan ons verkocht, we hadden immers zelf groente in de tuin. Toch zwaaide hij altijd vriendelijk naar me en heel vaak bracht zijn dochter, die er meestal ook bij was een peer. Niet zomaar een peer, maar een echte conference. Elke zondagmiddag kreeg ik bezoek van een oom en tante, wat ik heel aardig vond. Maar na verloop van tijd werd dat bezoek steeds schaarser, tot zeldzaam. Achteraf vertelde mijn moeder mij de reden. Ze hadden mijn vader geld geleend en kwamen dus niet voor mij, maar voor de aflossing. Toen alles was afbetaald was ik ook niet meer zo belangrijk. Ik was zeer teleurgesteld en hoopte niet dat Pa die lening had afgesloten voor de tweedehands TV die hij speciaal voor mij had gekocht, maar waar hij zelf ook wel van genoot. Alleen Lucille Ball en Heintje Davids, die toen al jaren met haar ”afscheidstoernooi” bezig was, vond hij maar ordinaire wijven en dan ging de TV uit. (Meer zenders waren er nog niet, dus zappen was er niet bij)
Nee, dan mijn broers en zussen. Regelmatig kwamen ze me opzoeken. Bert en zijn meissie Els, die toen nog Nel heette kwamen zelfs elke zondagavond klaverjassen, totdat Pa het welletjes vond en de bedstee in dook. Als ze waren vertrokken bleef Ine nog een poosje bij me zitten, wachtend tot er snurkende geluiden uit de bedstee kwamen. Spannend was dat! Negen maanden en vele tabletten later, mocht ik dan voor het eerst mijn bed weer verlaten en dat viel niet mee. Om aan te sterken kreeg ik toestemming om tijdelijk naar naaste familieleden te gaan en heb daar ook met veel plezier gebruik van gemaakt. Precies een jaar na de eerste symptomen kon ik weer aan het werk, maar bleef uiteraard nog jaren onder controle. Totdat ik de mededeling kreeg dat ik volkomen genezen was, echter met een waarschuwing: “er zullen altijd lidtekens op je long te zien blijven.” Ademloos heeft de dokter naar mijn verhaal geluisterd, maar hij reageerde nogal verrassend. Natuurlijk weet ik wel wat een bedstee is en een bakvis heb ik ook wel eens gehoord, maar wat is een vredesnaam pleuritis en TBC?” Nee, zo ging het natuurlijk niet. Ik heb de lidtekens wel verklaard, maar minder uitvoerig en hij snapte het ook helemaal. “Weet je ook nog welke long het was,” vroeg hij. Ik wist het echt niet meer, gek na bijna een halve eeuw. We hebben maar aangenomen dat het de linker moet zijn geweest. “Ons onderzoek is hiermee afgesloten,” zei hij nog. “Lucky Man,” dacht ik er achteraan. Er moesten nog wat dingetjes worden afgerond, maar zoals het er nu uitzag zou ik de volgende dag terug vliegen naar Siem Reap. Die avond zijn we lekker “duur” gaan eten in een Restaurant waar Jan en Ine de vorige avond ook al geweest waren. We werden ontvangen als oude bekenden en bij het afscheid klonk er heel beleefd: “Tot morgen.” Zal toch niet! Nadat Jan en Ine vertrokken waren herinnerde ik mij plotseling wat ik beloofd had aan Olala. Wat je beloofd moet je ook doen, dus pakte ik de lift naar de vijfde. Het was alles wat ik nog wist, de vijfde verdieping, maar welke kamer? Steeds weer kwam ik op een afdeling die precies leek op de afdeling waar ik had gelegen, maar het waren er zo veel. Iedereen wist er de weg, niemand zocht iets, behalve ik. Ik had zelfs moeite om mijn eigen kamer weer terug te vinden. Sorry Olala.

4 comments:

  1. Ik voel een nobelprijs voor de literatuur aankomen!!

    ReplyDelete
  2. waarom schrijf je dat maar 1 keer?

    ReplyDelete
  3. Ik voel een nobelprijs voor de literatuur aankomen!!
    (Zo beter?)

    ReplyDelete
  4. Nu weten we zeker dat het van jou was!

    ReplyDelete